logo

 

sr1

 

1.

Van de turkooize parel naar de lichtblauwe daar achter, haar zachtgerande oorschelpen leiden zijn blik naar de twee parels die zich tegen haar hals vleien. Daar zouden zijn lippen als eerste de vlakte van haar lichaam willen betreden. Blauwe ogen heeft ze en blond zijn haar lokken, haar lippen zijn wellustig rood en haar figuur is verleidelijk en uitdagend prachtig. Zijn lichaam beweegt als vanzelf naar haar toe. Zij is zich nog nergens van bewust. De weg die hij in het publiek naar haar moet afleggen wordt er door het gedrang voor het podium niet eenvoudiger op. Hij kan haar van een afstand toch niet waarschuwen, ik kom eraan hoor, hier ben ik! Wat wil je dan, zal ze denken. Hij kan niet meer terug, alsof hij in een vrije val is geraakt. Een roes, onvoorwaardelijk, midden in het publiek, grenzeloos. Heb je een vuurtje voor me? Hij heeft zin om volledig in haar op te gaan, het is zo doorzichtig. Ze lacht, hij heeft helemaal geen sigaret die aangestoken moet worden. Ze knipt met duim en middelvinger van haar rechter hand en houdt hem haar wijsvinger voor. Zonder een moment te aarzelen neemt hij haar vinger in zijn mond, zuigt er twee keer op en geeft dan de vinger aan haar terug. Goed begin, zegt ze en kijkt hem verlangend aan. Wat nu? Zullen we naar buiten gaan om een eindje te wandelen? Alleen als je mijn hand vast houdt. Ze steekt haar linker hand naar hem uit. Hij neemt haar linkerhand met zijn rechter hand voorzichtig in de zijne. Het is als in een droom, ze gaan naar buiten en hij leidt haar naar het pad onder de platanen. Het is april en achttien graden celsius. Ik ben je verlangen niet, dood je verlangen, zegt ze als ze een tijdje zwijgend naast elkaar hebben gelopen. Ze is zo hard als de turkooize parel in haar linker oorlelletje en zo helder als de lichtblauwe erachter. Hij heeft zich niet vergist, laat me zien wie je dan wel bent, antwoordt hij. De wijsvinger die je zojuist twee keer hebt afgelikt, zegt ze. Hij strekt zijn rechterarm naar achteren. Zij draait met haar gezicht naar hem toe. Zijn linkerhand pakt haar rechter beet zoals een man dat met zijn partner op de dansvloer doet. Zijn rechterheup zakt iets in, hij verplaatst zijn gewicht naar zijn linkerbeen. De merengue, ze volgt de beweging alsof ze niets anders had verwacht. Ze dansen onder de platanen aan het water, vergeten de omgeving, het is gênant, het moet, het is een droom. Dit ben ik wel, zegt ze, je hebt het begrepen. De eerste man die ik tot nu toe heb ontmoet die het begrijpt, je bent geslaagd, je kunt gaan. Dat zal niet lukken, zegt hij, jij moet nog door mijn hoepel springen. Waarom zou ik dat doen? Je kunt niet anders. Omdat ik aan je vast zit? Zeker, door niet mijn verlangen te zijn ben je het geworden. Ik zou nu weg kunnen gaan maar dat wil je niet want je zult mij dan voor altijd meenemen in je herinnering. Je hebt gezien wat ik niet ben en dat heeft je aan mij gebonden, het is het zwarte gat van je eigen, op mij geprojecteerde verlangen. Je zult me blijven zien maar nu als de afgrond waarvan je je bewust bent geworden door de intimiteit van onze verhouding. Dat zal te zwaar voor je zijn en je weet het. Wil je dan bij me blijven, voor altijd? vraagt ze. Ze staan in danshouding tegenover elkaar. Hij zoent haar vol op haar mond. Hij slaat zijn armen om haar heen. Goed begin, zegt zij. Goed begin, zegt hij. Dit lijkt op echte liefde, eigenliefde is de voorwaarde om lief te kunnen hebben. Iemand die niet van zichzelf houdt zal het zwarte gat voelen als een veroordeling of tekort schieten. De belangrijkste voorwaarde in de liefde is gelijkwaardigheid en daar wordt in dat geval niet aan voldaan. Hij ontwaart de toegangspoort tot de beschermde veste die in haar gehele verschijning verleiding belichaamt. Hij weet dat hier alleen aan ridders toegang wordt verleend. Maar wat is een ridder in haar zachte, half dicht geknepen ogen. Wat wil je van me, ik heb een vaste vriend. Gewoon voor erbij antwoordt hij zonder een moment te aarzelen. Sterke reactie vindt ze. Zodra zijn tong toegang heeft tot de huid achter de turkooize parel is het pleit zo goed als beslecht. De afstand die de klank van zijn lippen moet afleggen naar haar oorschelp lijkt onoverbrugbaar met gewone middelen. Ze wisselen geen woord meer. Hun monden en lippen tasten elkaar af. Zijn tong gaat in haar warme, vochtige mondholte naar binnen. Hij likt en bijt haar in haar nek.

Pieker toch niet zoveel jongen zei zijn moeder vroeger al. Had ze maar gevraagd waar denk je toch zo over na lieve schat van me. Zit je iets dwars, kan ik je helpen. Nee helpen zou ze vast niet gekund hebben. Achteraf is hij wel blij dat ze het bij haar eerste vraag heeft gelaten. Niet dat hij zijn moeder bewust op afstand wilde houden. Dat is zo gegroeid. Ze had immers crisisjaren en de oorlog achter de rug. Daar is ze in haar jeugd en volwassenheid door gevormd. Hij realiseert zich dat pas veel later, toen het kwaad al geschied was. Het odium dat over je heen komt als je als baby en klein kind bijna niet liefdevol aangeraakt wordt omdat je moeder getraumatiseerd is geraakt. Hoeveel kinderen overkomt dat niet in de oorlogsgebieden in Servië, Centraal Afrika of het Midden Oosten. Tantes had hij om zich heen verzameld, die knepen hem goedbedoeld liefdevol in zijn wang. Daaraan had hij een bloedhekel gekregen. Droomwerelden is hij gaan bouwen, lezen zijn grootste hobby, in die wereld kan hij alles achter zich laten. Ontsnappen aan wat hem niet bevalt, in boeken of stripverhalen vindt hij zijn eigen wereld, de perfecte wereld van liefde en avontuur. Hij heeft zich omringt met boeken, wanneer hij verhuist is het eerste dat hij timmert een boekenkast. De binnenwereld wordt een buitenwereld van boekenruggen, elk boek vertegenwoordigt een verlangen. Daarvan is hij zich heel goed bewust, dat is zijn parallelle wereld om met zijn vriendin Gaia te spreken. Die zit dus ook in zijn hoofd. Hij beseft dat die ook in de rest van zijn lichaam verankerd is, in zijn spieren, in zijn organen. Niet dat hij een wandelend boek is geworden, zo erg is het nu ook weer niet. Het zijn niet de woorden maar de ervaringen en de pijn die zich hebben belichaamd. Hij herinnert zich het moment dat hij stil valt en voor zijn gevoel niets meer kan zeggen wat hout snijdt, niets meer in taal kan uitdrukken om contact met anderen te maken. Dat is crisis, een hele beste crisis, die duurt een jaar. Achteraf blijkt het een goudmijn maar tijdens is het ellende. Hij ontdekt dat op de bodem van de ziel niets te vinden is, in ieder geval niet iets waarmee hij een nieuw begin kan maken. Door te fietsen, zwemmen en joga maakt hij zijn hoofd leeg. De eerste zin die hem uit deze impasse helpt, is de vraag aan tafel bij vrienden, mag de pindakaas even door? Bij een pot pindkaas begint de victorie. Het kan raar lopen, de parallelle wereld een pot pindakaas.

Zijn handen beginnen haar lichaam voorzichtig te verkennen, ze duwt haar dij in zijn kruis, zijn hand voelt haar blote rug boven haar wollen rokje en beweegt langzaam omhoog. Ze voelt als fluweel, zacht, blank en strak, warm en willig, ze klemt en zuigt zich aan hem vast. Zijn hand zoekt haar onderbuik op, de ontremming is totaal. Het is waar en hij weet het, verdriet zit tot in zijn botten. In zijn hoofd danst de versregel “images first ... words follow ... when eyes meet ... how can i feel sorrow...”. Tekst na een nacht verliefde hartstochtelijke seks met Gaia. Alles klopte met haar die nacht. De beelden, elk gesproken woord hoewel het er niet veel waren. Heftige ongeremde lichamen. Goddelijke passie. Geen grenzen anders dan die van twee lichamen die elkaar beroeren. Gaia had tegen hem gezegd dat hij moest gaan vertalen. Waarom vertel je me dat had hij gevraagd. Het antwoord herinnert hij zich nog goed. Het had met parallelle werelden te maken. Parallelle werelden? Hoe kom je daar nu bij? Omdat jij altijd in twee werelden leeft. Eén die bestaat en één die zich in je hoofd afspeelt. Soms ben je zo onbereikbaar voor me, alsof je in een andere wereld verkeert. Daarom heb ik het zo genoemd. Begrijp me goed, ik heb er geen last van. Ik wil het benoemen om je te kunnen begrijpen. Toen ik dat van die parallelle wereld had bedacht werd het me duidelijk. Ik zag je weer helemaal voor me staan. Zo leuk hoe jij in elkaar zit. Denkramen als in de loop der tijd afgezette aardlagen, doortrokken van wortels die elkaar wederzijds bevruchten. Bij tijd en wijle kruipen nieuwe inzichten als slangen uit hun oude vel. Nieuwe vormen vernietigen de oude en gaan de confrontatie met het zonlicht aan. Aan het licht komen als een misdaad. De misdaad van de passie van het lichaam en de dorst van de geest. Er is geen ontkomen aan, alle lust wil eeuwigheid. Ik had me voorgenomen om je dat eens te vertellen, op een goed moment. Gaia was lang aan het woord geweest. Voor Gaia wil hij niet onbereikbaar zijn, integendeel. Hij had goed naar haar geluisterd, ze was geheel zichzelf en beheerst in woord en gebaar. Alsof contact met een wildvreemde voor haar de gewoonste zaak van de wereld is, ze verwarde en fascineerde hem. Er waren wel meer mensen die tegen hem aan begonnen te praten met hun zorgen en problemen. Hun dagelijkse frustraties, hun moeilijkheden op het werk, met de baas of de organisatie. Maar dit gesprek met haar is totaal anders. Alsof ze dezelfde op elkaar aansluitende gedachten aan het uitwisselen zijn, geen mensen maar cultuurobjecten in dialoog. Niet dat haar lichaam er niet toe doet of dat hij haar niet kan ruiken. Haar stem is eng mooi, herkenbaar en vertrouwd. Het kan niet anders dan wederzijds zijn, dat blijkt wel.

Terug in het café staan ze langs de kant van de dansvloer. Het is er stampvol mensen. Zo is het allemaal begonnen. Hij heeft het over zich heen laten komen, er niet meer aan gedacht. Af en toe komt het in zijn herinnering nog naar boven, vooral dat ze zei, zo leuk hoe jij in elkaar zit. Dat had nog nooit een meisje tegen hem gezegd. Maar die parallelle wereld, welke betekenis kon hij daar aan geven. In veel situaties dacht hij op het moment zelf ook over de situatie na, metadenken noemt hij dat. Zich uit de situatie terugtrekken, is dat een vorm van vluchten? Synchroon nadenken over wat er zich in werkelijkheid afspeelt alsof hij een toeschouwer is. Dat voelt alsof hij in een toneelstuk verzeild is geraakt. Alsof hij een rol speelt en tegelijkertijd in de zaal zit. Hij brengt het soms ter sprake, zowel wat hij denkt als wat hij voelt. Niet iedereen stelt dat altijd op prijs weet hij inmiddels. Of dat wordt hem duidelijk gemaakt, je graaft te veel en te diep, daar hebben we nu even geen zin in. Hij gaat er voor zitten en schrijft het dan maar op. Hij heeft nu een kast vol schriftjes met beelden en letters. Opschieten doet dat echter niet, de hele wereld op je nek als de zon ondergaat. Hij daalt af tot onder de boord van haar wollen rokje, de bovenkant van haar rechter bil. Ze verzet haar benen zodat hij beter met zijn volle hand onder haar billen kan komen. Ze vergeten de omgeving, het is gênant, het moet.

*

volgende